Wauw wat heerlijk, naar buiten allemaal !!! Darius Milhaud (Frankrijk, 1892-1974) schreef ‘Le Printemps’ opus 18. Onlangs speelde ik het met een violiste. Wat een prachtig kabbelend melodietje. En dan die jazzy pianopartij, lekker contrasterend op de achtergrond. Hij deed het anders dan zijn tijd- en landgenoten. Niet te ingewikkeld zodat het toegankelijk is voor iedereen. Luister eens hoe onze vriend Jacques het speelt.
Weekje Oostenrijk achter de rug. Lekker gerelaxed en van de sneeuw genoten. Ik moest denken aan de Poolse componist Mieczysław Karłowicz (1876-1909) die zich o.a. liet inspireren door mystieke ervaringen die hij zei te ervaren in het Tatra gebergte. Leuk is dat hij een van de eersten was die een fiets in zijn bezit had. Op 33-jarige leeftijd overleed hij aan de gevolgen van een skiongeluk. Luister eens naar zijn vioolconcert. Waarom altijd maar Tsjaikovski, Bruch en Sibelius in de concertzalen vraag je je dan af ? En dan die meneer Kulka, wat een heerlijk toon!
Sergej Prokofjev (Rusland, 1891-1953) componeerde drie van zijn pianosonates tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze zijn bekend geworden als de zgn. oorlogssonates. Toen Duitsland in 1941 de Sovjet-Unie aanviel versoepelde Stalin de artistieke beperkingen voor componisten en andere artiesten. Prokofjev kreeg een ‘tijdelijke’ vrijheid om zijn eigen stem te uiten. De composities uit die tijd zijn doordrenkt met ironie en tragedie. Je kunt de oorlogssonates beschouwen als een reflectie van de componist op een wereld in oorlog. Onder de oppervlakte klinkt een persoonlijke kritiek op Stalins meedogenloze en onderdrukkende heerschappij. Sonate nr. 7 (ook wel “Stalingrad”) werd voltooid in 1942 en werd het jaar daarop voor het eerst uitgevoerd door Sviatoslav Richter.
Ignacy Jan Paderewski (Polen, 1860 – 1941) was een van de beroemdste pianisten van zijn tijd. Hij was een zogenaamde ‘dubbelvirtuoos’ en zegevierde op zowel het klavier als in de media. Vanaf het allereerste begin van zijn carrière werkte hij zorgvuldig aan het oppoetsen van zijn imago. Hij liet zijn foto’s maken in de beste ateliers van Warschau, Wenen en Londen. Men stond versteld van zijn spel en had veel aandacht voor de expressie en het charisma van de pianist. Hij verscheen in commercials en gaf duizenden handtekeningen. Zijn concerten waren altijd uitverkocht. Hij reisde in een eigen treinwagon met talrijke bedienden en zijn eigen kok. Vrouwen verafgoodden hem. Paderewski had het geluk in een tijd te leven waarin bijna iedereen piano wilde spelen. Pianoproducenten waren rijk en machtig, en beroemde pianisten werden gevierd. Later gebruikte hij zijn populariteit en zijn internationale netwerk om te lobbyen voor de wederopbouw van Polen. Uiteindelijk werd hij de eerste minister-president. Paderewski was ook componist, daarom een mooi stukje pianomuziek. Miscellaneu opus 16 nr. 4. gespeeld door Nelson Freire.